images[1]geschreven voor het clubblad “de Moker” van Scouting Mensinghe Roden

Scouting voor de één leuk voor op de zaterdagochtend, voor de ander een verslaving. Het motto ‘Eens een scout altijd een scout’ gaat helaas niet helemaal op. Vroeger dus voor mijn tijd was het padvinderij. De korte ribbroek was verplicht, de hoed was standaard uitrusting en het was ondenkbaar dat je geen compleet uniform droeg. Tijdens mijn verkennertijd was je ook flink het bokje als je de das vergeten was, ophalen of niet meer terugkomen. Want tuurlijk halfbakken scouts zijn eigenlijk geen scouts. Je uniform daar moet je trots op zijn.

Maar ik wilde het hebben over de das. Zo zat ik laatst op zaterdagmiddag trots te zijn in de trein, met mijn das om. Je wordt aangekeken en ook niet zo’n beetje ook. Waarom? Wat is er mis met die das? Komen er twee gasten van rond de 16 jaar tegenover mij zitten, vraagt de een “Hé, ben jij van die heidekneuters?”. Ja, zeg je dan met volle trots. Er wordt tussen de twee gelachen en gemompeld, het gesprek is afgelopen en het stilzwijgen wordt tot het station waar zij uitstappen enkel onderbroken door de conducteur. Het volgende station stappen ze uit. Er komt een 20 jarige meid voor in de plaats zitten, ook zei maakt een opmerking over de das. “Hé zit jij bij scouting, hier in de buurt?” Een gesprek komt opgang, de tijd die ze heeft gehad bij scouting uit Rotterdam. “Maar waarom draag je je das in de trein?” vraagt ze. “Waarom niet?” eenvoudig geantwoord. “Ja, inderdaad”, ze snapt het volkomen.

Scouting is wat dat betreft vreemd, neem nou die twee gasten, ik vermoed dat het voetballers waren. Die zijn gewend om ruzie te schoppen met andere voetbalverenigingen, een soort gewoonte. Scouts hebben dat niet, die begrijpen elkaar. En dat is iets om trots op te zijn.

Daarom moet je ook eigelijk trots zijn op je uniform, want dat maakt je scout!